Berichten: 104
gebruiker
Verstuur privé bericht
|
Zelden zo aangenaam gefietst als onlangs (in de Boekenweek) met Jan Wolkers door zijn geboortedorp. Hij hoefde geen handtekening of stempel te zetten, er stond geen eindeloze rij fans die toegesproken wilden worden. Wij hadden de grote schrijver helemaal voor ons alleen, een hele middag terug naar Oegstgeest.
Natuurlijk gingen we naar zijn geboortehuis in de Deutzstraat, de voormalige winkel waarop in groene letters stond 'COMESTIBLES - DELICATESSEN - FIJNE VLEESWAREN'. 'En als je het portiek inkwam, links, onderaan de kleine etalage: KOLONIALE WAREN. Dat waren de grote stopflessen met lombok, kroepoek udang, trassi, vanillestokjes, pijpkaneel, wonderlijke gedroogde gewasen en bleke grillige knolletjes. Op het glas van de deur stond diagonaal in sierlijk strak geschilderde letters de naam van mijn vader.'
We stonden stil bij zijn twee lagere scholen. De voormalige christelijke, met juffrouw Hakkenberg -'een verminkte tor die, met aan haar linkerbeen een hoge zwarte schoen als een ouderwets strijkijzer, door de klas inhinkte-, die Jan aan het einde van de tweede klas verliet (1934), omdat zijn schoolprestaties onder de maat bleven. En de Leidse Houtschool, die tenminste een 'school op gereformeerde grondslag was, waar de hoofdonderwijzer Jan eens bij de arm greep en hard langs zijn gezicht schreeuwde: 'Getrouwe God, de heid'nen zijn gekomen. Zij hebben stout uw erfland ingenomen.'
Dan had je uiteraard de (gereformeerde) Rehobothkapel, waar Jan gedoopt is, nota bene door de vermaarde dogmaticus Klaas Schilder, later hoogleraar te Kampen en stichter van de gereformeerde kerken vrijgemaakt (Artikel 31): 'Vooral bij sneeuwval, een lieflijk kerstplaatje waar het onder het knusse rieten dak, veilig toeven moet zijn geweest voor het kuddeke des Heren tegen de verdorvenheden der wereld.' En de nieuwe kerk aan de Mauritslaan, waarvoor vader Wolkers de flessen avondmaalswijn leverde. Zaterdagsavonds stonden ze klaar op de kleine toonbank. 'Het waren twaalf willekeurige flessen van de plank. Pas als mijn vader ze in de grote hengselmand had gezet en er een witte doek over gedaan had, iets dat hij bij andere boodschappen vanzelfsprekend niet deed, waren ze geheiligd, was het al het bloed van Jezus Christus.' Later, toen alleen nog de meest noodzakelijke artikelen in de winkel te koop waren, moest Jan dikwijls de wijn bij een concurrent tegen inkoopsprijs halen. Op een keer bracht hij de verkeerde mee: zoete Spaanse. 'Je kan geen bisschopswijn voor het Heilig Avondmaal gebruiken', zei zijn vader. Maar het was te laat om de flessen nog om te ruilen. Aan de dominee die als eerste dronk, was niets te zien. 'Maar de man aan wie hij de beker had gegeven, nam een slok, wilde de beker al van zijn lippen halen om hem door te geven, maar nam toen snel nog een teugje.'
We reden langs Jans oude werkgevers. Het pathologisch laboratorium van het Academisch Ziekenhuis in Leiden, waar hij (net veertien) dierenverzorger was maar vooral als dierenmartelaar optrad ('daar heb ik mijn geloof in God voorgoed verloren') en waar hij in 1944 zijn oudste broer zag overlijden, in de rouwkapel aan de Wassenaarseweg: 'Via dolorosa, iedere straatsteen is doordrenkt met tranen.' Hij heeft ook gewerkt op het distributiekantoor aan het Wilheminapark en op de buitenplaats van Houtheer, 'een multimiljonair met een uitgestrekt landgoed, dat als ene weelderig opgemaakte fruitschaal, als een land van melk en honing aan de Rijnsburgerweg lag.' Jan onderhield er de tuin, gooide hompen brood in de klapzoenende bekken van de edelkarpers en trok zich af in het kleine houten pleetje te midden van trillende langpootmuggen. En hij begon er te tekenen, onder werktijd.
We hebben op Endegeest wat gedronken in het Theehuis, tussen de bewoners. 'De geest Gods zweeft hier over de wateren. Endegeest, waar de gekken opgesloten zitten in dwangbuizen en gewatteerde toiletten. Daarachter Rhijngeest, waar de gekken van goeden huize verblijven en dat daarom 'zenuwinrichting' wordt genoemd. Oegstgeest, waar ik geboren ben. Het is allemaal geest, het hangt als los zand aan elkaar.'
En uiteindelijk bezochten we het kerkhof, waar in de oorlog Jans broer werd begraven. 'Toen we naar het kerkhof gingen had ik geen jas. Ik moest de regenjas van mijn broer aan, die van een parachute gemaakt was. Het was een warme dag in het eind van augustus, maar het was of de ijskou uit die jas mijn lichaam binnendrong. Aan het graf zei mijn vader met brekende stem: 'De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd.'
Na de fietstocht herlazen we Wolkers roman Terug naar Oegstgeest uit 1965. 'Alles in Oegstgeest wekt herinnering op aan vroeger', schreef hij daarin. 'Als ik elk jaar terugging, zou ik elk jaar een Terug naar Oegstgeest kunnen schrijven, want steeds komen er weer andere herinneringen in me op -andere benauwenissen.'
Deze middag met Wolkers danken we aan Peter Zonneveld, universitair docent in Leiden, die een prachtige handleiding maakte om de belangrijkste plekken uit Wolkers' oeuvre te bezoeken: in Oegstgeest op de fiets en in het aangrenzende Leiden te voet. Steeds even afstappen en hardop lezen, inclusief de passages uit de boeken. Zo hadden wij Wolkers een middag voor ons alleen.
|